Wetsvoorstel
07-06-2011

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel tot bevordering van een objectieve berekening van de onderhoudsuitkering na echtscheiding (5-1064)

Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune en de heer Peter Van Rompuy
 


TOELICHTING

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat werd ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 27 januari 2011 (stuk Kamer, nr. 53-1133/001).

De wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding heeft artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek volledig vervangen. In de rechtsleer wordt terecht opgemerkt dat ook het nieuwe artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek geen eenduidige methodiek hanteert om de uitkering te begroten (1) . Er blijven vele discussies rijzen die op zich aanleiding geven tot rechtsonzekerheid en gevoelens van onrechtvaardigheid. Dit leidt ook tot problemen bij de uitvoering.

Gelijkaardige problemen werden ondervonden bij de berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen. Dit wordt nu verholpen door de wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen (2) . In de rechtsleer wordt dan ook terecht opgemerkt dat het gebrek aan eenduidige methodiek bij de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding indruist tegen deze tendens (3) . Dit wetsvoorstel wil dan ook naar analogie met voornoemde wet de berekening van de onderhoudsuitkering na echtscheiding objectiveren.

De objectivering dient meerdere doelen. In eerste instantie wordt beoogd de transparantie van de begroting te verhogen. De rechter verduidelijkt onvoldoende met welke gegevens hij rekening houdt. Een grotere transparantie zal zorgen voor een betere uitvoering doordat mensen weten waarom ze een bepaald bedrag moeten betalen. Het gevoel dat de onderhoudsuitkering op een billijke wijze werd vastgelegd neemt toe.

Ten tweede komen de verduidelijkingen aangebracht aan de berekening van de onderhoudsuitkering de rechtszekerheid ten goede. De rechtspraktijk is vandaag niet uniform. Er bestaan verschillen in begroting.

Ten derde biedt de invoering van een begrotingsformule een houvast (referentiekader) bij de onderhandelingen over de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding in het kader van akkoorden en worden op die manier spanningen tussen de onderhoudsplichtige en de onderhoudsgerechtigde weggenomen.

Indieners wensen met dit voorstel niet te raken aan de fundamentele keuzen die werden gemaakt bij hervorming van de onderhoudsuitkering na echtscheiding, maar deze te verduidelijken en te verfijnen. De onderhoudsuitkering na echtscheiding is een tijdelijk voortgezette solidariteit die voorkomt dat door echtscheiding de economisch sterkere partner de economisch zwakkere partner zonder meer « dumpt ». Zij beoogt bescherming te bieden aan de partner die omwille van gezamenlijke keuzen tijdens het gezinsleven na echtscheiding in een economisch kwetsbare positie wordt gebracht. De afwezigheid van enige regeling hieromtrent zou er immers toe leiden dat mensen uit noodzaak gehuwd blijven of na echtscheiding in de kansarmoede terechtkomen (4) . Dergelijke situatie is onaanvaardbaar.

Omgekeerd kan het niet de bedoeling zijn dat de financieel zwakkere echtgenoot helemaal niets onderneemt om zijn situatie te verbeteren. Verwacht kan worden dat hij in de mate van het mogelijke inspanningen levert om opnieuw in het arbeidsproces ingeschakeld te worden (5) . De opgelegde solidariteit na echtscheiding is om die reden in beginsel tijdelijk (6) . Het is een uitdovende solidariteit die in verhouding staat tot de toename van de economische zelfstandigheid van de onderhoudsgerechtigde.

Het evenwicht tussen voornoemde twee bezorgdheden dient in concreto gezocht te worden. De wet dient enkel de krijtlijnen uit te tekenen.

Als uitgangspunt blijft daarbij gelden dat partijen bij voorkeur zelf een regeling treffen over de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding (7) . Overeenkomsten hieromtrent dienen gestimuleerd te worden. Vaak maakt dergelijke overeenkomst ook deel uit van een globaal akkoord omtrent de vereffening en verdeling van het huwelijkse vermogen. Slechts indien partijen niet tot een akkoord komen, kan de rechter, op vraag van één van de (gewezen) echtgenoten, een onderhoudsuitkering na echtscheiding bepalen.

Het recht op een onderhoudsuitkering na echtscheiding is gelet op hoger genoemde zoektocht naar een evenwicht afhankelijk van de behoeftigheid van een echtgenoot na echtscheiding en de vermogendheid van de andere echtgenoot om in die behoefte te voorzien (8) . Bij de bepaling van de onderhoudsuitkering na echtscheiding dient onder meer rekening gehouden te worden met volgende factoren (9) :

— de arbeidsmogelijkheden, leeftijd en gezondheid van de echtgenoten;

— de zorg voor de kinderen;

— de verdeling van zorgtaken tijdens het huwelijk;

— de duur van het huwelijk;

— de levensstandaard tijdens het huwelijk; en

— een nieuw huwelijk of langdurige relatie.

De houding van de behoeftige echtgenoot tijdens het huwelijk kan een invloed uitoefenen op zowel de gerechtigheid op een uitkering als het bedrag van deze uitkering (10) .

De gerechtigheid op een onderhoudsuitkering houdt op bij overlijden van één van de (gewezen) echtgenoten of ingeval de onderhoudsgerechtigde een nieuw huwelijk sluit of samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd (11) .

Concreet brengt dit wetsvoorstel volgende wijzigingen aan :

1. Verduidelijking van de gerechtigheid op een onderhoudsuitkering na echtscheiding

Luidens artikel 301, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de behoeftige echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding. Hiermee wordt bedoeld dat de economisch zwakste echtgenoot een onderhoudsaanspraak kan laten gelden tegenover de economisch sterkste (12) . Om de gerechtigheid na te gaan, moet onderzocht worden of er een onevenwicht bestaat in de persoonlijke globale economische situatie van de echtgenoten (13) . Bepalend daarbij is niet of een ex-echtgenoot met eigen middelen en mogelijkheden zijn staat van behoefte kan dekken (14) .

In de rechtspraak bestaat onduidelijkheid over de vraag of het verschil in globale economische situatie « duidelijk (15) » of « gevoelig (16) » moet verschillen zodat een beperkte wanverhouding niet volstaat (17) . Indieners zijn van oordeel dat er geen enkele reden bestaat om aan te nemen dat er een duidelijk of gevoelig verschil in globale economische situatie moet bestaan alvorens er een principiële gerechtigheid op een onderhoudsuitkering na echtscheiding ontstaat. Dit wordt verduidelijkt in de wet. Bij afwezigheid van enige richtlijn terzake geeft dergelijk vereiste ongetwijfeld aanleiding tot zeer uiteenlopende rechtspraak waarbij in het ene geval een verschil van meer dan 500 euro als gevoelig wordt gekwalificeerd en in het andere geval een verschil van 1 000 euro wordt geëist. Dit uitdrukkelijk bepalen in de wet zou daarenboven arbitrair zijn.

De uitzonderingen op de principiële gerechtigheid van een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding blijven integraal behouden.

Ten slotte wordt verduidelijkt dat onder « globale economische situatie » wordt verstaan : alle inkomsten, lasten en mogelijkheden van de partijen. Dit strookt met de gangbare interpretatie in de rechtspraktijk (18) . Daarbij wordt gepreciseerd dat ook rekening gehouden moet worden met het kapitaal opgebouwd tijdens het huwelijk. Het komt voor dat één van de echtgenoten een groot eigen kapitaal heeft opgebouwd tijdens het huwelijk. Het is in die situatie onbillijk enkel rekening te houden met de inkomsten van de echtgenoten.

2. Precisering van de toepasselijke referentiestandaard en de compensatie

In eerste instantie wordt het minimale bedrag dat toegekend kan worden verduidelijkt. Het behoeftebegrip wordt ingevuld zoals in het gemene onderhoudsrecht (art. 205 BW). De definitie van het Hof van Cassatie (19) wordt in de wet verankerd. De staat van behoefte van een onderhoudsuitkeringsgerechtigde wordt beoordeeld op grond van de normale levensomstandigheden waarin hij wegens zijn sociale situatie verkeerde. Aangenomen wordt dat het bedrag dat de staat van behoefte dekt in ieder geval meer bedraagt dan het leefloon (20) .

Het maximale bedrag dat toegekend kan worden bedraagt hetzij een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot hetzij het bedrag dat de uitkeringsgerechtigde in staat kan stellen in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven. Meer toekennen is strijdig met de aard van de nahuwelijkse solidariteit (21) . Dit laatste wordt nu verduidelijkt in de wet.

Daartussen beschikt de rechter over een beoordelingsmarge. Over die beoordelingsmarge bestaat actueel veel discussie. Luidens artikel 301, § 3, van het Burgerlijk Wetboek houdt de rechter rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate.

Een eerste betwisting rijst met betrekking tot de referentiestandaard ter beoordeling van de aanzienlijke terugval van de economische situatie. In de rechtspraktijk bestaan actueel een drietal opvattingen (22) . Volgens een eerste opvatting dient de economische situatie na echtscheiding vergeleken te worden met de situatie van vóór het huwelijk. De verhoging strekt er dan toe de niet- of onderbenutting van het verdienvermogen wegens of tijdens het huwelijk te compenseren. De terugval wegens het huwelijk is hierbij aldus bepalend (23) . Naar luid van een tweede strekking moet de economische situatie na de echtscheiding worden vergeleken met de situatie tijdens het huwelijk, zodat de terugval wegens de echtscheiding hier bepalend is (24) . Een laatste strekking is van oordeel dat de levensstandaard van tijdens de huwelijkse samenwoning ook de referentiestandaard is voor de begroting van de uitkering, met dien verstande dat thans een aanzienlijke terugval ten opzichte van die levensstandaard moet zijn gemaakt en dat luxe-uitgaven uit die periode niet meer worden verrekend (25) . Er zijn ook een aantal uitspraken waar niet duidelijk is welke opvatting werd gevolgd (26) .

Het bestaan van meerdere opvattingen komt de rechtszekerheid niet ten goede. Indieners opteren daarom uitdrukkelijk om de tweede opvatting in te schrijven in de wet. De aanzienlijke terugval in de economische situatie wordt bijgevolg beoordeeld door de huidige verdiencapaciteit te vergelijken met de levensstandaard van tijdens de huwelijkse samenleving. Het betreft immers een tijdelijk voortgezette solidariteit. Om die reden wordt ook bepaald dat de rechter het bedrag kan verhogen bij een aanzienlijke terugval in de economische situatie. Eens vastgesteld dat er een aanzienlijke economische terugval is en het bedrag ervan te hebben begroot, is de rechter ertoe gehouden om te onderzoeken of deze aanzienlijke economische terugval geheel of gedeeltelijk moet gecompenseerd worden. De rechter beoordeelt soeverein of de terugval aanzienlijk is (27) .

In de rechtspraktijk bestaat ook betwisting omtrent de rol van de duur van het huwelijk, de leeftijd van de partijen of hun gedrag tijdens het huwelijk inzake organisatie van hun noden (in het algemeen) en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna (in het bijzonder). Naar luid van een eerste opvatting zijn deze criteria van belang ter beoordeling van de huidige economische situatie. In die optiek zou van ex-echtgenoten op leeftijd of na een lange huwelijksduur een minder snelle of omvangrijke (her)inschakeling in de arbeidsmarkt kunnen worden verwacht (28) . Zo geïnterpreteerd maken deze criteria deel uit van de beoordeling van de middelen en mogelijkheden van de partijen. Volgens een tweede opvatting komt er aan deze criteria een afzonderlijke betekenis toe en met name bij de beoordeling of de aanzienlijke economische terugval geheel of gedeeltelijk (29) moet gecompenseerd worden (30) .

Indieners opteren om deze tweede strekking uitdrukkelijk in de wet in te schrijven. De aanzienlijke economische terugval wordt bijgevolg geheel of gedeeltelijk gecompenseerd rekening houdende met volgende factoren :

— de duur van het huwelijk;

— de leeftijd van partijen;

— hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Het kan onbillijk zijn om een ongeschoolde echtgenoot die nooit heeft gewerkt, na een lang huwelijk of op oudere leeftijd terug te laten vallen op een uitkering ter grootte van het betreffende basisloon. Het kan eveneens onbillijk zijn om een werkende echtgenoot die geen verdiencapaciteit heeft verloren, elk voordeel in de levensstandaard van tijdens de huwelijkse samenwoning te ontzeggen (31) .

Ten slotte kan de rechter nog steeds beslissen, indien nodig, dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate. Dit kadert binnen de uitdovende solidariteit en laat toe het hoger genoemde evenwicht beter te benaderen. Hoger genoemde factoren spelen ook hier een belangrijke rol.

3. Definitie van inkomsten

In de wet wordt een definitie van inkomen opgenomen teneinde alle controverses dienaangaande te voorkomen. Onder « inkomen » wordt in eerste instantie verstaan : inkomsten van allerlei aard, na aftrek van de erop verschuldigde fiscale en sociale lasten en van de beroeps- en andere kosten die noodzakelijk zijn om ze te verkrijgen of te behouden (32) .

Deze definitie vormt een consolidatie van de bestaande rechtspraak. Het netto-inkomen wordt actueel begroot door van het bruto-inkomen de sociale en fiscale lasten af te trekken (33) . Uiteraard dienen ook de beroeps- en andere kosten die noodzakelijk zijn om ze te verkrijgen of te behouden ervan afgetrokken te worden.

Indieners zijn van oordeel dat ook de onderhoudsbijdrage die de uitkeringsplichtige echtgenoot werd opgelegd bij toepassing van de artikelen 203, 203bis, 336 of 353-14 van het Burgerlijk Wetboek of de krachtens artikel 1288, eerste lid, 3º, van het Gerechtelijk Wetboek of de krachtens een notariële of gehomologeerde overeenkomst aangegane verbintenis met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor het kind of de kinderen van de onderhoudsplichtige, van diens inkomen moet afgetrokken worden om het netto-inkomen te bepalen. Het betreffen allen onderhoudsbijdragen die verschuldigd zijn ten behoeve van een kind van de onderhoudsplichtige. Dit kind kan zowel een gemeenschappelijk kind als een kind uit een vorige relatie zijn, vandaar dat ook gewag wordt gemaakt van artikel 1288, eerste lid, 3º, van het Gerechtelijk Wetboek (vorige huwelijk bijvoorbeeld ontbonden door EOT). Hiermee bevestigen indieners dat de onderhoudsplicht ten aanzien van de niet-zelfstandige kinderen voorrang heeft op de onderhoudsplicht ten aanzien van de ex-echtgenoot (34) .

Ingeval de onderhoudsbijdrage voor de niet-zelfstandige kinderen van de onderhoudsplichtige echter wordt bepaald na de uitspraak over de onderhoudsuitkering voor de ex-echtgenoot, kan de onderhoudsplichtige de herziening van de onderhoudsuitkering vragen op grond van paragraaf 7, eerste lid van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek. Aangenomen moet worden dat dit een nieuwe omstandigheid is buiten de wil van de partijen, althans voor zover deze onderhoudsbijdrage bij een gerechtelijke uitspraak werd vastgesteld.

4. Verduidelijking van de duur van de onderhoudsuitkering na echtscheiding

Dit voorstel beoogt verduidelijking te brengen omtrent twee onduidelijkheden op het vlak van de duur van de onderhoudsuitkering na echtscheiding.

Een eerste knelpunt houdt verband met de principiële duur van de onderhoudsuitkering na echtscheiding. Volgens een eerste opvatting bestaat de uitkeringsgerechtigheid maximaal voor de duur van het huwelijk te rekenen vanaf het ogenblik dat de echtscheidingsuitspraak kracht van gewijsde krijgt. Na het verstrijken van deze periode valt de ex-echtgenoot terug op de beperkte gerechtigheid bedoeld in artikel 301, § 4, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (35) . Een andere strekking is op grond van de principiële onverjaarbaarheid van onderhoudsuitspraken van oordeel dat de maximale periode slechts ingaat vanaf de eerste toekenning van de uitkering (36) . Gelet op het hoger genoemde evenwicht dat vertolkt wordt door een in de tijd beperkte solidariteit na echtscheiding, zijn indieners van oordeel dat de wet verduidelijkt moet worden overeenkomstig de eerste opvatting (37) .

Een tweede onduidelijkheid houdt verband met de concrete duur van de uitkering. Volgens een eerste strekking moet steeds bepaald worden voor welke duur de uitkering wordt toegekend, zelfs indien het gaat om de wettelijke maximumduur (38) . Naar luid van een andere opvatting moet enkel de duur die van het wettelijk maximum afwijkt uitdrukkelijk in het dictum worden vermeld (39) . De rechtspraak blijkt uiteenlopend te zijn (40) . Indieners opteren ervoor dat de rechter steeds de duur vermeldt in het vonnis. Dit komt de duidelijkheid en transparantie ten goede. Deze verplichting wordt opgenomen bij de bijzondere motiveringsplicht (zie infra). De toekenning van de onderhoudsuitkering voor een kortere duur dan het huwelijk met het oog op de inlassing van een evaluatiemoment wordt hiermee onmogelijk gemaakt (41) . Indieners zijn van oordeel dat de rechtspositie van de onderhoudsgerechtigde best zo snel mogelijk duidelijk wordt gemaakt (42) . De onderhoudsplichtige kan steeds een wijziging of opheffing ervan vragen overeenkomstig artikel 301, § 7, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek. Het is dan ook uitgesloten om de onderhoudsuitkering te verlengen zonder buitengewone omstandigheden.

Ten slotte verduidelijkt dit wetsvoorstel dat de verlenging wegens buitengewone omstandigheden binnen drie maanden vóór het verstrijken van de duur waarvoor de uitkering werd toegekend, moet aangevraagd worden. De buitengewone omstandigheden moeten een verlenging rechtvaardigen op het tijdstip van de beëindiging van de duur waarvoor de onderhoudsuitkering werd toegekend. Het betreft immers een uitdovende solidariteit en onderzocht moet worden of de onderhoudsgerechtigde op dat tijdstip niet over voldoende bestaansmiddelen beschikt om zijn staat van behoefte te dekken. Zo kan de hoge leeftijd of de zwakke gezondheidstoestand een verlenging van de duur ab initio niet rechtvaardigen (43) .

Aan het (verlaagde) bedrag van de onderhoudsuitkering toegekend wegens de verlenging van de termijn omwille van buitengewone omstandigheden wordt niet geraakt.

5. Technische aanpassingen

Verder beoogt dit wetsvoorstel het systeem van onderhoudsuitkeringen meer uniform te maken door het systeem van indexering opgenomen in artikel 301, § 6, van het Burgerlijk Wetboek af te stemmen op het systeem van indexering ingevoegd in het nieuwe artikel 203quater, § 1, van het Burgerlijk Wetboek door de wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen. Ook het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding vastgelegd bij overeenkomst wordt automatisch geïndexeerd behoudens andersluidend beding in de overeenkomst.

Tevens worden een aantal technische wijzigingen aangebracht in het licht van de wet van 2 juni 2010 tot wijziging van sommige bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek wat de procedure inzake echtscheiding betreft. In die zin werd artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek door voornoemde wet opgeheven en moeten de paragrafen 1 en 9, tweede lid, van artikel 301, van het Burgerlijk Wetboek nog dienovereenkomstig aangepast worden.

6. Rechtszekerheid met betrekking tot de omzetting in kapitaal

Een andere onduidelijkheid houdt verband met het definitieve en onherroepbare karakter van de omzetting van de uitkering door een kapitaal (artikel 301, § 8, van het Burgerlijk Wetboek). Dit voorstel verduidelijkt uitdrukkelijk dat de omzetting in kapitaal een definitieve omzetting is die onherroepelijk is (44) .

7. De wettelijk samenwonende wordt op gelijke voet met de feitelijk samenwonende geplaatst wat de beëindiging van de onderhoudsplicht betreft

Actueel bepaalt artikel 301, § 10, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek dat de uitkering definitief niet meer verschuldigd is in geval van een nieuw huwelijk van de uitkeringsgerechtigde of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning doet, tenzij de partijen anders overeenkomen.

Een wettelijke samenwoning kan echter niet gelijk gesteld worden met een huwelijk. Het aangaan van een wettelijke samenwoning leidt niet tot een onderhoudsverplichting. Wettelijk samenwonenden dienen enkel bij te dragen in de lasten van de samenleving naar evenredigheid van hun mogelijkheden (artikel 1477, § 3, van het Burgerlijk Wetboek). Dit valt niet gelijk te stellen met de onderhoudsverplichting die geldt tussen echtgenoten (artikel 213 en artikel 217, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek) en die afgedwongen kan worden bij toepassing van artikel 221 of 223 van het Burgerlijk Wetboek. Verder dient opgemerkt te worden dat een wettelijke samenwoning ook tussen bloed- en aanverwanten (bijvoorbeeld broers) kan afgesloten worden.

Om die reden achten indieners het wenselijk dat ook ingeval de onderhoudsgerechtigde een verklaring van wettelijke samenwoning doet, de rechter de onderhoudsverplichting slechts kan beëindigen ingeval de onderhoudsgerechtigde samenleeft met een andere persoon als waren zij gehuwd (45) .

8. Maatregelen ter bevordering van een effectieve betaling

Dit wetsvoorstel beoogt ook de effectieve invordering van uitkeringen inzake levensonderhoud na echtscheiding te verhogen.

Enerzijds wordt het systeem van de ontvangstmachtiging ingevoegd in artikel 301, § 11, van het Burgerlijk Wetboek afgestemd op het systeem zoals dit bestaat voor de onderhoudsbijdrage voor minderjarige kinderen en recent nog werd gewijzigd door de wet van 19 maart 2010. Zo dient de rechter voortaan de machtiging toe te staan indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende termijnen in de loop van twaalf maanden die aan het indienen van het verzoekschrift voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan zijn verplichting tot betaling van de uitkering tot levensonderhoud uitgezonderd ingeval de rechter anders oordeelt, wegens uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak.

Anderzijds dienen voortaan in elk vonnis of arrest dat een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding uitspreekt de gegevens van de Dienst voor Alimentatievorderingen, opgericht bij de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën vermeld te worden (nieuw artikel 1321/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek). Tevens wordt gewezen op diens opdracht betreffende de invordering van verschuldigde onderhoudsuitkeringen. Ook deze maatregel werd ingevoerd voor de onderhoudsbijdrage voor minderjarige kinderen door de wet van 19 maart 2010.

9. De invoering van een bijzondere motiveringsplicht

Om de transparantie te verhogen wordt, net zoals de wet van 19 maart 2010 deze invoerde voor de onderhoudsbijdrage voor minderjarige kinderen, ook een bijzondere motiveringsplicht ingevoerd voor de onderhoudsuitkering na echtscheiding. De rechter dient voortaan volgende elementen uitdrukkelijk te motiveren in zijn vonnis :

1º de inkomsten, lasten en mogelijkheden van de echtgenoten die de rechter bij de bepaling van de globale economische situatie bedoeld in artikel 301, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, in acht heeft genomen;

2º het bedrag dat de staat van behoefte dekt bedoeld in artikel 301, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;

3º de beoordeling van de aanzienlijke terugval in de economische situatie bedoeld in artikel 301, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Hieronder wordt onder meer bedoeld dat de rechter ook het bedrag dat de uitkeringsgerechtigde in staat kan stellen in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven moet aangeven in zijn vonnis;

4º het bedrag waarmee de onderhoudsuitkering bij een aanzienlijke terugval van de economische situatie wordt verhoogd bedoeld in artikel 301, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

5º de elementen bedoeld in artikel 301, § 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarmee de rechter rekening heeft gehouden bij de verhoging van het bedrag van de onderhoudsuitkering;

6º het bedrag dat gelijk is aan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot bedoeld in artikel 301, § 3, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

7º de duur waarvoor de uitkering is toegekend.

10. Evaluatiecommissie

De wet van 19 maart 2010 voerde een evaluatiecommissie in voor onderhoudsbijdragen die aanbevelingen opstelt voor de begroting van de kosten voortvloeiende uit artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en de vaststelling van de bijdrage van elk van de ouders overeenkomstig artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek. De commissie evalueert jaarlijks deze aanbevelingen en bezorgt een advies aan de minister van Justitie en de minister bevoegd voor de Gezinnen, vóór de 31e januari van het jaar volgend op het voorbije burgerlijke jaar. De bevoegde minister voor de Gezinnen legt dit advies neer in de federale wetgevende Kamers, aangevuld met de bemerkingen van de in het voorgaande lid genoemde minister (artikel 1322, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek).

Dit voorstel beoogt de bevoegdheden van deze commissie uit te breiden met uitkeringen tot levensonderhoud na echtscheiding. Concreet wordt deze commissie ook bevoegd om aanbevelingen op te stellen voor de beoordeling van de globale economische situatie bedoeld in artikel 301, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en de verhoging van de onderhoudsuitkering bij een aanzienlijke economische terugval overeenkomstig artikel 301, § 3, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1322, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt bovendien dat de Koning een berekeningswijze kan opstellen om de toepassing van deze aanbevelingen te vergemakkelijken. Deze bepaling blijft enkel van toepassing bij de begroting van de onderhoudsbijdrage voor de minderjarige kinderen. Er bestaat in de praktijk geen nood aan het bepalen bij koninklijk besluit van een uniforme berekeningswijze voor de onderhoudsuitkering na echtscheiding.

11. Een effectieve verkrijging van gegevens omtrent de inkomsten

Magistraten worden vaak geconfronteerd met een tekort aan gegevens nodig om de onderhoudsuitkering op een objectieve wijze te begroten. Dit geldt des te meer na de wet van 19 maart 2010 tot bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen (Belgisch Staatsblad van 21 april 2010). Dikwijls leveren partijen enkel de loonfiche van de afgelopen maand in. Dit volstaat evenwel niet om de onderhoudsuitkering op een ernstige wijze te begroten. De rechter begroot alsdan de onderhoudsuitkering met de natte vinger. Soms moet de zaak uitgesteld worden en een provisionele onderhoudsuitkering toegekend worden ingeval partijen niet akkoord gaan over de inkomstengegevens. Dit is uiteraard geen bevredigende situatie. Procedures slepen aan en kosten veel geld.

Voorts kan de vrederechter aan het openbaar ministerie niet vragen inlichtingen over de inkomsten in te winnen. Er is immers geen openbaar ministerie bij de vredegerechten en het kan bijgevolg ook niet in kennis gesteld worden van de zaak (artikel 764, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 872 van het Gerechtelijk Wetboek). Met betrekking tot de overlegging van bewijsstukken geldt aldus het gemene recht (artikelen 877 tot 882bis van het Gerechtelijk Wetboek) (46) .

Indieners willen aan deze problematiek tegemoet komen door artikel 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek dat op een meer doortastende wijze en met behulp van sancties het mededelen van inlichtingen en het overleggen van bewijsstukken met betrekking tot de inkomsten en schuldvorderingen mogelijk maakt toepasselijk te verklaren op alle (47) onderhoudsgeschillen. Hierdoor kan de rechter zelfs een niet-meewerkende derde persoonlijk laten verschijnen en, bij weigering, een geldboete opleggen onverminderd een schadevergoeding (artikel 926 van het Gerechtelijk Wetboek) (48) . Verder kan de rechter ook aan het openbaar bestuur bevelen hem gegevens te verstrekken over de inkomsten en schuldvorderingen van de echtgenoten. De ambtenaren van het bestuur zijn alsdan ontslagen van hun plicht tot geheimhouding.

Deze bevoegdheid wordt opgenomen in een nieuw artikel 1320/1 van het Gerechtelijk Wetboek en zal gelden bij de begroting van alle onderhoudsuitkeringen dus ook deze voor de kinderen.

12. Overgangsrecht en inwerkingtreding

In overeenstemming met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (49) wordt bepaald dat de oude wet van toepassing blijft op alle vorderingen die zijn ingeleid in het kader van een procedure tot het bekomen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek vóór de inwerkingtreding van deze wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken als op de tegenvorderingen die zijn ingediend na de inwerkingtreding van deze wet.

Wat de automatische indexering van het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding vervat in een overeenkomst betreft dient opgemerkt te worden dat de algemene regels inzake overgangsrecht van toepassing zijn. Voor overeenkomsten afgesloten vóór de inwerkingtreding van deze wet geldt de automatische indexering niet tenzij anders bedongen.

Teneinde de rechtspraktijk voldoende tijd te laten om kennis te nemen van deze wijzigingen, wordt bepaald dat deze wet pas in werking treedt op de eerste dag van de vierde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Sabine de BETHUNE
Peter VAN ROMPUY.
WETSVOORSTEL

HOOFDSTUK 1

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2

Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek

Art. 2

Artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010, wordt gewijzigd als volgt :

1º Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :

« § 1. De echtgenoten kunnen op elk ogenblik overeenkomen omtrent de eventuele uitkering tot levensonderhoud, het bedrag ervan en de nadere regels volgens welke het overeengekomen bedrag zal kunnen worden herzien. »;

2º Paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld als volgt :

« De behoeftigheid bestaat bij een onevenwicht in de persoonlijke globale economische situatie van de echtgenoten. De globale economische situatie wordt beoordeeld aan de hand van het kapitaal opgebouwd tijdens het huwelijk, de inkomsten, lasten en mogelijkheden van de echtgenoten. »;

3º Paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :

« § 3. De rechtbank stelt het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde wordt beoordeeld op grond van de normale levensomstandigheden waarin hij wegens zijn sociale situatie verkeerde.

De rechtbank kan het bedrag van de onderhoudsuitkering verhogen bij een aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde tot het bedrag dat de uitkeringsgerechtigde in staat kan stellen in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven.

Bij een eventuele verhoging houdt de rechter rekening met de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen en hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate.

De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot en mag maximaal gelijk zijn aan het bedrag dat de uitkeringsgerechtigde in staat kan stellen in zijn bestaan te voorzien op een gelijkwaardige wijze als tijdens het samenleven. Onder inkomen wordt verstaan : inkomsten van allerlei aard, na aftrek van de erop verschuldigde fiscale en sociale lasten, van de beroeps- en andere kosten die noodzakelijk zijn om ze te verkrijgen of te behouden en van de onderhoudsbijdrage die de uitkeringsplichtige echtgenoot opgelegd is bij de artikelen 203, 203bis, 336 of 353-14 van dit Wetboek of de krachtens artikel 1288, eerste lid, 3º van het Gerechtelijk Wetboek of de krachtens een notariële of gehomologeerde overeenkomst aangegane verbintenis met betrekking tot de onderhoudsbijdrage voor het kind of de kinderen van de onderhoudsplichtige. »;

4º Paragraaf 4 wordt gewijzigd als volgt :

a) Aan het eerste lid wordt toegevoegd :

« Deze duur begint te lopen vanaf het tijdstip waarop het vonnis of arrest dat de echtscheiding uitspreekt in kracht van gewijsde treedt. »;

b) In het tweede lid worden de woorden « vastgesteld binnen drie maanden vóór het verstrijken van de duur waarvoor de uitkering werd toegekend, » ingevoegd na de woorden « In geval van buitengewone omstandigheden ».

5º Paragraaf 6 wordt vervangen als volgt :

« § 6. De krachtens dit artikel bepaalde uitkering tot levensonderhoud, vastgesteld hetzij bij vonnis overeenkomstig artikel 1321/1 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij overeenkomst, wordt van rechtswege aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.

Deze basisbijdrage is gebonden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die voorafgaat aan de maand waarin het vonnis dat de onderhoudsuitkering bepaalt, wordt uitgesproken, tenzij de rechter er anders over beslist. Om de twaalf maanden wordt het bedrag van de uitkering van rechtswege aangepast in verhouding tot de verhoging of de verlaging van het indexcijfer van de consumptieprijzen van de overeenstemmende maand.

De rechter kan nochtans een andere formule toepassen voor de aanpassing van de onderhoudsuitkering. De partijen kunnen eveneens bij overeenkomst afwijken van deze aanpassingsformule. »;

6º Paragraaf 8 wordt aangevuld als volgt :

« De omzetting in kapitaal is definitief en kan niet meer herzien worden. »;

7º In het tweede lid van paragraaf 9 worden de woorden « met inachtneming van de in artikel 1257 van het Gerechtelijk Wetboek gestelde voorwaarden » opgeheven;

8º In het tweede lid van paragraaf 10 worden de woorden « of op het ogenblik waarop deze laatste een verklaring van wettelijke samenwoning doet » opgeheven;

9º Paragraaf 11 wordt vervangen als volgt :

« § 11. Indien de uitkeringsplichtige zijn verplichting tot betaling opgelegd door de rechter bij toepassing van dit artikel of de krachtens een notariële of gehomologeerde overeenkomst tussen partijen aangegane verbintenis niet nakomt, kan de uitkeringsgerechtigde, onverminderd het recht van derden, zich voor de vaststelling van het bedrag en voor de tenuitvoerlegging van het vonnis doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde uitkeringsplichtige, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen en de uitkeringsgerechtigde toestaan de inkomsten of goederen die de uitkeringsplichtige overeenkomstig hun huwelijksstelsel beheert, in ontvangst te nemen.

In alle geval staat de rechter de machtiging toe indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende termijnen in de loop van twaalf maanden die aan het indienen van het verzoekschrift voorafgaan, geheel of ten dele ontrokken heeft aan zijn verplichting tot betaling van de uitkering tot levensonderhoud uitgezonderd ingeval de rechter anders oordeelt, wegens uitzonderlijke omstandigheden eigen aan de zaak.

De rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter worden geregeld volgens de artikelen 1253ter tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek.

Het vonnis kan worden tegengeworpen aan alle tegenwoordige of toekomstige derden-schuldenaars, na kennisgeving door de griffier bij gerechtsbrief op verzoek van de eiser.

Wanneer het vonnis ophoudt gevolg te hebben, geeft de griffier daarvan bericht aan derden-schuldenaars bij gerechtsbrief.

De griffier vermeldt in zijn kennisgeving wat de derdeschuldenaar moet betalen of ophouden te betalen. »

HOOFDSTUK 3

Wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek

Art. 3

In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 1320/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 1320/1. De rechter bij wie een vordering tot toekenning, verhoging, verlaging of afschaffing van de uitkering tot levensonderhoud aanhangig is, kan aan de betrokken partijen en zelfs aan derden bevelen hem alle inlichtingen en bescheiden te verstrekken, waaruit het bedrag van de inkomsten en schuldvorderingen van de betrokken partijen kan blijken; geeft de derde aan de vordering van de rechter binnen de door hem gestelde termijn geen gevolg of lijken de verstrekte inlichtingen onvolledig of onjuist te zijn, dan kan de rechter bij een met redenen omkleed vonnis de verschijning van de derde bevelen op een dag die hij bepaalt. De griffier roept de derde op bij gerechtsbrief en voegt bij de oproepingsbrief een afschrift van het vonnis.

De sancties bepaald in artikel 926 kunnen worden toegepast op de derde die niet verschijnt of weigert de gevraagde inlichtingen te verstrekken. In de oproepingsbrief wordt, op straffe van nietigheid, de voorgaande volzin opgenomen, alsook de tekst van artikel 926.

Wanneer de rechter aan een openbaar bestuur beveelt hem gegevens te verstrekken over de inkomsten en schuldvorderingen van de echtgenoten, zijn de ambtenaren van het bestuur ontslagen van hun plicht tot geheimhouding. »

Art. 4

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1321/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 1321/1. § 1. Behoudens akkoord van de partijen over het bedrag van de uitkering tot levensonderhoud, vermeldt elke rechterlijke beslissing die de uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding vaststelt op grond van artikel 301, van het Burgerlijk Wetboek volgende elementen :

1º de inkomsten, lasten en mogelijkheid van de echtgenoten die de rechter bij de bepaling van de globale economische situatie bedoeld in artikel 301, § 2, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, in acht heeft genomen;

2º het bedrag dat de staat van behoefte dekt bedoeld in artikel 301, § 3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek;

3º de beoordeling van de aanzienlijke terugval in de economische situatie bedoeld in artikel 301, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

4º het bedrag waarmee de onderhoudsuitkering bij een aanzienlijke terugval van de economische situatie wordt verhoogd bedoeld in artikel 301, § 3, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

5º de elementen bedoeld in artikel 301, § 3, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, waarmee de rechter rekening heeft gehouden bij de verhoging van het bedrag van de onderhoudsuitkering;

6º het bedrag dat gelijk is aan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot bedoeld in artikel 301, § 3, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek;

7º de duur waarvoor de uitkering is toegekend.

§ 2. Het vonnis of arrest vermeldt de gegevens van de Dienst voor Alimentatievorderingen, opgericht bij de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën, en wijst op diens opdracht betreffende de invordering van verschuldigde onderhoudsuitkeringen. »

Art. 5

Artikel 1322 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2010, wordt gewijzigd als volgt :

1º In paragraaf 1 worden de woorden « en uitkeringen tot levensonderhoud na echtscheiding » ingevoegd na de woorden « een commissie voor onderhoudsbijdragen » en worden de woorden « , de beoordeling van de globale economische situatie overeenkomstig artikel 301, § 2, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek en de verhoging van de onderhoudsuitkering bij een aanzienlijke economische terugval overeenkomstig artikel 301, § 3, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek. » ingevoegd na de woorden « artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek. »;

2º In paragraaf 3 worden de woorden « voor de begroting van de kosten voortvloeiende uit artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en de vaststelling van de bijdrage van elk van de ouders overeenkomstig artikel 203bis van het Burgerlijk Wetboek » ingevoegd na de woorden « van de in paragraaf 1 bedoelde aanbevelingen ».

HOOFDSTUK 4

Overgangsrecht

Art. 6

De oude wet blijft van toepassing op alle vorderingen die zijn ingeleid in het kader van een procedure tot het bekomen van een onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek vóór de inwerkingtreding van deze wet, zolang geen eindvonnis is uitgesproken als op de tegenvorderingen die zijn ingediend na de inwerkingtreding van deze wet.

HOOFDSTUK 5

Inwerkingtreding

Art. 7

Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

19 mei 2011.
Sabine de BETHUNE
Peter VAN ROMPUY.

(1) Swennen, F., Eggermont, S. en Alofs, E., « De wet van 27 april 2007 inzake echtscheiding. Knelpunten van materieel recht en van procesrecht », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), Knelpunten echtscheiding, afstamming en verblijfsregelingen, Antwerpen, Intersentia, 2009, (3), blz. 24 e.v.; Van Gysel, A.-C., « La pension après divorce pour cause de désunion irrémédiable », in Leleu, Y.-H. en Pire, D. (eds.), La réforme du divorce. Première analyse de la loi du 27 avril 2007, Larcier, 2007, blz. 102, nr. 91; Zie onder het oude recht : Verschelden, G., Boone, K., Brouwers, S., Martens, I. en Verstraete, K., « Overzicht van rechtspraak. Familierecht (2001-2006) », TPR, 2007, (141), blz. 606 e.v.; Dandoy, N., « Calcul des pensions alimentaires entre époux et après divorce », Rev. trim. dr. fam., 2004, 50.

(2) Belgisch Staatsblad van 21 april 2010.

(3) Swennen, F., « Hocus pocus alimentatie (art. 301 BW) », (noot onder Brussel 17 februari 2009), T. Fam., 2009, (147), blz. 147, nr. 1.

(4) Zie de studie van de Koning Boudewijnstichting en Comeva, « Berekende toekomst. Peiling naar de financiële situatie van vrouwen en hun kans op armoede », 1 maart 2010. Uit deze studie blijkt dat één op twee vrouwen financieel afhankelijk is van haar man en dat 11 % bij hun partner blijft omdat ze het financieel niet alleen aankunnen (blz. 17).

(5) Vgl. beginsel 2 :2 ontwikkeld door de Commission on European Family Law (http://www.ceflonline.net/) in hun rapport inzake « Principles of European Family Law regarding divorce and maintenance between former spouses ».

(6) Vgl. beginsel 2 :8 ontwikkeld door de Commission on European Family Law (http://www.ceflonline.net/) in hun rapport inzake « Principles of European Family Law regarding divorce and maintenance between former spouses ».

(7) Vgl. beginsel 2 :10 ontwikkeld door de Commission on European Family Law (http://www.ceflonline.net/) in hun rapport inzake « Principles of European Family Law regarding divorce and maintenance between former spouses ».

(8) Vgl. beginsel 2 :3 ontwikkeld door de Commission on European Family Law (http://www.ceflonline.net/) in hun rapport inzake « Principles of European Family Law regarding divorce and maintenance between former spouses ».

(9) Vgl. beginsel 2 :4 ontwikkeld door de Commission on European Family Law (http://www.ceflonline.net/) in hun rapport inzake « Principles of European Family Law regarding divorce and maintenance between former spouses ».

(10) Vgl. beginsel 2 :6 ontwikkeld door de Commission on European Family Law (http://www.ceflonline.net/) in hun rapport inzake « Principles of European Family Law regarding divorce and maintenance between former spouses ».

(11) Vgl. beginsel 2 :9 ontwikkeld door de Commission on European Family Law (http://www.ceflonline.net/) in hun rapport inzake « Principles of European Family Law regarding divorce and maintenance between former spouses ».

(12) Senaeve, P., « De wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht. Deel I. De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting », T. Fam., 2007, blz. 125, nr. 83; Zie bijvoorbeeld Rb. Leuven 4 februari 2008, RABG, 2008, blz. 709, noot.

(13) Martens, I., « Twee jaar toepassing van het nieuwe alimentatierecht na EOO, met inbegrip van het overgangsrecht », TBBR, 2010, (55), blz. 55, nr. 2; Swennen, F., Eggermont, S. en Alofs, E., « De wet van 27 april 2007 inzake echtscheiding. Knelpunten van materieel recht en procesrecht », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), Knelpunten echtscheiding, afstamming en verblijfsregelingen, Antwerpen, Intersentia, 2009, blz. 1, nr. 18 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

(14) Martens, I., « De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), De hervorming van het echtscheidingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, blz. 55, nr. 76.

(15) Zie bijvoorbeeld Rb. Dendermonde 17 april 2008, AR 07/2772/A, onuitg. (wanverhouding 545 euro); Rb. Dendermonde 12 juni 2008, AR 07/2297/A, onuitg. (wanverhouding 2 800 euro); Rb. Dendermonde 19 juni 2008, AR 07/2638/A, onuitg. (wanverhouding 861 euro) allen aangeh. in Swennen, F., « Hocus pocus alimentatie (art. 301 BW) », (noot onder Brussel 17 februari 2009), T. Fam., 2009, (147), 148, voetnoot 5.

(16) Zie bijvoorbeeld : Antwerpen 13 mei 2009, RABG, 2010, 225, noot Brouwers, S.; Vred. Geldenaken-Perwijs 2 april 2008, Act. dr. fam. 2008, 194 (wanverhouding 950 euro).

(17) Rb. Gent 3 juni 2008, AR 07/3426/A, onuitg., aangeh. in Swennen, F., l.c., blz. 148, voetnoot 7; Zie verder ook de verwijzingen in Martens, I., « Twee jaar toepassing van het nieuwe alimentatierecht na EOO, met inbegrip van het overgangsrecht », TBBR, 2010, (55), blz. 56, voetnoot 8.

(18) Van Gysel, A.-C., « La pension après divorce pour cause de désunion irrémédiable » in Leleu, Y.-H. en Pire, D. (eds.), La réforme du divorce. Première analyse de la loi du 27 avril 2007, Brussel, Larcier, 2007, (91), blz. 93, voetnoot 8; A. Duelz, Brouwers, J.-C. en Fischer, Q., Le droit du divorce, Brussel, Larcier, 2009, 4e ed., nr. 375.

(19) Cass. 12 oktober 2009, Act. dr. fam., 2009, 199, noot Van gysel, A.-C., in het vonnis dat aan de basis lag van dit cassatiearrest oordeelde het de rechtbank dat de aanzienlijke terugval werd veroorzaakt niet door de vermindering van de inkomsten, maar wel doordat er een verhoging van de lasten optrad voortvloeiend uit de huur.

(20) Vgl. Vred. Vorst 7 mei 2008, Rev. trim. dr. fam., 2008, 1234; Martens, I., « De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), De hervorming van het echtscheidingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, nr. 98; Swennen, F., Eggermont, S. en Alofs, E., « De wet van 27 april 2007 inzake echtscheiding. Knelpunten van materieel recht en van procesrecht », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), Knelpunten echtscheiding, afstamming en verblijfsregelingen, Antwerpen, Intersentia, 2009, (3), nr. 28; Van Gysel, A.-C., « La pension après divorce pour cause de désunion irrémédiable », in Leleu, Y.-H. en Pire, D. (eds.), La réforme du divorce. Première analyse de la loi du 27 avril 2007, Larcier, 2007, blz. 103, nr. 91.

(21) Vgl. Senaeve, P., Compendium van het Personen- en Familierecht, Leuven, Acco, 2008, 11e ed., nr. 1670; Dandoy, N., « La dégradation signicative de la situation économique de l'époux demandeur de la pension après divorce », (noot onder Rb. Nijvel 26 februari 2008), Rev. trim. dr. fam., 2008, (483), 485.

(22) Zie Vred. Luik 17 maart 2008, Rev. trim. dr. fam., 2008, 1228; Brouwers, J.-C., « Le nouvel article 301 du Code civil et le droit transitoire », Div. Act., 2007, (110), 115; Dandoy, N., « La réforme du divorce : les effets alimentaires », Rev. trim. dr. fam. 2007, (1065), 1078-1079; Dandoy, N., « La dégradation signicative de la situation économique de l'époux demandeur de la pension après divorce », (noot onder Rb. Nijvel 26 februari 2008), Rev. trim. dr. fam., 2008, (483), 484-485; Martens, I., « Twee jaar toepassing van het nieuwe alimentatierecht na EOO, met inbegrip van het overgangsrecht », TBBR, 2010, (55), 60-64; Swennen, F., « Hocus pocus alimentatie (art. 301 BW) », (noot onder Brussel 17 februari 2009), T. Fam., 2009, (147), 150-153; Swennen, F., Eggermont, S. en Alofs, E., « De wet van 27 april 2007 inzake echtscheiding. Knelpunten van materieel recht en van procesrecht », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), Knelpunten echtscheiding, afstamming en verblijfsregelingen, Antwerpen, Intersentia, 2009, (3), 24-28 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

(23) Zie bijvoorbeeld : Vred. Vorst 7 mei 2008, Rev. trim. dr. fam., 2008, 1234; Vred. Waver (2e kanton) 2 december 2008, Act. dr. fam., 2009, 54; Brussel 17 februari 2009, T. Fam., 2009, 141, noot Swennen, F.; Antwerpen 13 mei 2009, RABG, 2010, 225, noot Brouwers, S..

(24) Zie bijvoorbeeld : Rb. Nijvel 26 februari 2008, Rev. trim. dr. fam., 2008, 481, noot Dandoy, N.; Brouwers, S., « Het « alsof er geen huwelijk was geweest-criterium » bij het begroten van de uitkering na echtscheiding », (noot onder Antwerpen 13 mei 2009), RABG, (228), 233-236.

(25) Zie bijvoorbeeld : Rb. Aarlen 16 januari 2009, Rev. trim. dr. fam., 2009, 448.

(26) Zie bijvoorbeeld : Rb. Tongeren (1e k.) 11 december 2007, AR 07/1452/A, onuitg.; Rb. Dendermonde (3e k.) 20 maart 2008, AR 07/2089/A, onuitg.; Rb. Hasselt (6e A k.) 17 juni 2008, AR 07/2172/A, onuitg.; Vred. Geldenaken-Perwijs 2 april 2008, Act. dr. fam., 2008, 194, allen aangeh. door Martens, I., « Twee jaar toepassing van het nieuwe alimentatierecht na EOO, met inbegrip van het overgangsrecht », TBBR, 2010, (55), p. 63.

(27) Cass. 12 oktober 2009, Act. dr. fam., 2009, 199, noot Van Gysel, A.-C.

(28) Zie bijvoorbeeld : Vred. Vorst 7 mei 2008, Rev. trim. dr. fam., 2008, 1234.

(29) Zie bijvoorbeeld : Rb. Nijvel 13 mei 2008, Act. Dr. fam., 2008, 190.

(30) Dandoy, N., « La dégradation significative de la situation économique de l'époux demandeur de la pension après divorce », (noot onder Rb. Nijvel 26 februari 2008), Rev. trim. dr. fam., 2008, (483), 485-486.; Swennen, F., « Hocus pocus alimentatie (art. 301 BW) », (noot onder Brussel 17 februari 2009), T. Fam., 2009, (147), 153; Martens, I., « Twee jaar toepassing van het nieuwe alimentatierecht na EOO, met inbegrip van het overgangsrecht », TBBR, 2010, (55), 64.

(31) Vgl. Swennen, F., « Hocus pocus alimentatie (art. 301 BW) », (noot onder Brussel 17 februari 2009), T. Fam., 2009, (147), 153.

(32) Vgl. Wetsvoorstel tot hervorming van het echtscheidingsrecht (Marghem c.s.), DOC 52-2303/001, blz. 15.

(33) Van Der Velpen, E., « Overzicht van rechtspraak (2000-2005) — De onderhoudsuitkering tussen ex-echtgenoten na echtscheiding op grond van bepaalde feiten », EJ, 2005, (142), blz. 152 en de aldaar aangehaalde referenties.

(34) Zie Senaeve, P., Compendium van het personen- en familierecht, 2, Leuven, Acco, 2009, nr. 1981.

(35) Brouwers, J.-C., « Dix questions controversées sur le terrain des effets alimentaires du divorce », Act. dr. fam., 2008, (49), p. 51-52; A. Duelz, Brouwers, J.-C. en Fischer, Q., Le droit du divorce, Brussel, Larcier, 2009, 4e ed., nr. 387; Martens, I., « De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), De hervorming van het echtscheidingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, nr. 106; Senaeve, P., Compendium van het personen- en familierecht, Leuven, Acco, 2008, 11e ed., nr. 1683; Van Gysel, A.-C., « La pension après divorce pour cause de désunion irrémédiable » in Leleu, Y.-H. en Pire, D., La réforme du divorce. Première analyse de la loi du 27 avril 2007, Brussel, Larcier, 2007, blz. 118, nr. 91; Swennen, F., « Hocus pocus alimentatie (art. 301 BW) », (noot onder Brussel 17 februari 2009), T. Fam., 2009, (147), 154.

(36) Brouwers, S., Alimentatie in APR, Mechelen, Kluwer, 2009, nr. 941; Dandoy, N., « La réforme du divorce : les effets alimentaires », Rev. trim. dr. fam., 2007, (1065), blz. 1081; Fierens, J., « Le nouveau droit du divorce ou le syndrome Lucky Luke », Droit de la famille, in Recyclage en droit, Luik, Anthémis, 2007, blz. 31, nr. 55; Zie bijvoorbeeld : Rb. Aarlen 9 juli 2008, Rev. trim. dr. fam., 2009, 431.

(37) Vgl. F. APS, « Evaluatie en toekomstperspectieven van de Echtscheidingswet 2007. Het verhaal van het badwater en het kind ... », RW, 2009-2010, (1754), 1765.

(38) Senaeve, P., « De wet van 27 april 2007 tot hervorming van het echtscheidingsrecht. Deel I. De echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk », T. Fam., 2007, (103), nr. 102; Swennen, F., « Hocus pocus alimentatie (art. 301 BW) », (noot onder Brussel 17 februari 2009), T. Fam., 2009, (147), 155.

(39) Martens, I., « De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), De hervorming van het echtscheidingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, nr. 103.

(40) Zie bijvoorbeeld : Geen begrenzing in de tijd : Rb. Luik 6 december 2007, Act. dr. fam., 2008, 44, noot Carre, D.; JLMB, 2008, 347, PIRE, D.; Vred. Sint-Lambrechts-Woluwe 18 februari 2008, Act. dr. fam., 2008, 182; Vred. Fontaine-l'Evêque 22 mei 2008, JLMB 2008, 1385; Rev. trim. dr. fam., 2008, 1243; Uitdrukkelijke vermelding van de maximale duur : Luik 16 april 2008, Act. dr. fam., 2008, 176; Brussel 5 juni 2008, Act. dr. fam., 2008, 177; Vred. Geldenaken-Perwijs 2 april 2008, Act. dr. fam., 2008, Rev. trim. dr. fam., 2009, 431; Vermelding van een kortere periode : Rb. Aarlen 24 oktober 2008, Rev. trim. dr. fam., 2009, 444.

(41) Zie bijvoorbeeld : Rb. Nijvel (7e k.) 13 mei 2008, Act. dr. fam., 2008, 190.

(42) Vgl. Martens, I., « Twee jaar toepassing van het nieuwe alimentatierecht na EOO, met inbegrip van het overgangsrecht », TBBR, 2010, (55), 67.

(43) Zie bijvoorbeeld : Luik (10e k.) 16 april 2008, Act. dr. fam., 2008, 176 en JLMB, 2009, 124.

(44) Vgl. Wetsvoorstel tot hervorming van de echtscheiding (Marghem), DOC 53-0343/001, blz. 15.

(45) Vgl. Martens, I., « De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting », in Senaeve, P., Swennen, F. en Verschelden, G. (eds.), De hervorming van het echtscheidingsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2008, (57), nr. 120, blz. 94-95 en de aldaar aangehaalde verwijzingen; Zie ook Brouwers, J.-C., « Le nouvel article 301 du Code civil et le droit transitoire, Div Act., 2007, (110) 120.

(46) Zie Brouwers, S., « Wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen », RW, 2010-2011, (258), 259.

(47) Actueel is deze bepaling enkel van toepassing op vorderingen die aanhangig zijn op grond van artikelen 220, § 3, 221 en 223 van het Burgerlijk Wetboek.

(48) Vgl. Brouwers, S., « Wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen », RW, 2010-2011, (258), 259.

(49) GwH 28 oktober 2010, nr. 119/2010, www.grondwettelijkhof.be.



Terug naar het overzicht